Planten voeding

Geef tijdens de groei ook bemesting dit bevorderd de groei en krijg je een betere oogst.Er zijn altijd meststoffen beschikbaar kijk maar op link Lijst product verkoop.

Stikstof (N) doet planten groot groeien. U krijgt grote planten, grote bladeren, grote vruchten.
Fosfaat (P) is voor een goede beworteling , een goede bloei en goede zaadvorming.
Kali (K) zorgt voor smakelijkheid en winterhardheid. Bij aardappels vooral voor het droge stof gehalte (de deugd, zoals de aardappelkenners dan zeggen)
Magnesium (Mg) voor de aanmaak van bladgroen.
Kalk (Ca) voor een goede zuurgraad van de grond. De streefwaarde voor de grond in onze moestuinen is ongeveer p-h KCI van 5,5

Kalk. Op zandgrond is de zuurgraad meestal aan de hoge kant (dus een te lage p-h) en moet eigenlijk jaarlijks kalk gestrooid worden. Strooi niet teveel in één keer, het is beter ieder jaar bijvoorbeeld 10 kg. kalk per are te strooien, dan in één keer 25 kg. Kalk heeft ongeveer 3 maanden nodig om tot volle werking te komen. Daarom geeft men bij voorkeur in de herfst kalk. Maerl kalk is duurder, maar heeft een betere werking en bevat minder ballaststoffen, terwijl het eigenlijk direct werkt, waardoor het in alle seizoenen kan worden gebruikt.

Hoe kunt u aan een plant zien of deze ergens gebrek aan heeft of misschien juist een teveel?

Teveel stikstof. Dit komt tot uiting door een veel te sterke groei van het gewas. Als een gewas heel goed groeit, maar te laat in bloei komt dan is teveel stikstof de oorzaak. Bovendien is het gewas te welig en een lekkernij voor luizen en ander ongedierte en zal het gemakkelijk omvallen en ziek worden door (schimmel)ziekten.

Te weinig stikstof. Dit komt tot uiting door een slechte groei, klein blad dat bovendien een geelgroene kleur krijgt. Stikstof is onderdeel van het bladgroenmolecuul. Te weinig stikstof geeft dus te weinig chlorofyl in het blad, waardoor dit een geelgroene kleur krijgt. Een handigheidje is misschien het volgende. Omdat N gemakkelijk uitspoelt kan het zijn, dat u meerdere malen per groeiseizoen wat N geeft als aanvulling. In de biologische teelt geeft men het liefst verenmeel of bloedmeel als stikstofbemesting.
Als u 2 rijen kolen heeft uitgeplant dan geeft u na de startbemesting de eerst volgende bemesting niet aan de eerst 2 planten. Na een poosje kan het zijn, dat de kleur van de eerste 2 planten af gaat wijken van de rest. Als dat zo is, dan beginnen ze stikstofgebrek te vertonen. Op dat moment geeft u een aanvulling. Hoewel alle planten nu weer voldoende N hebben, is het bij de eerste 2 planten toch wat minder dan bij de rest. Mocht u weer kleurverschil gaan zien, dan is het misschien tijd om het gewas nog eens wat stikstof te geven. Dan voorkomt u, dat de planten teveel krijgen, waardoor de balans met de andere planten wordt verstoord.

Te weinig Fosfaat geeft een armelijke bloei. Deze valt tegen. Het blad zal een purperen waas kunnen krijgen. Dat is een mooi gezicht. In het voorjaar zie je vaak planten boven komen of uit de knop komen en dan is het midden van het blad met een bronskleur of een paarse gloed gekleurd. Dit komt doordat bij een bodemtemperatuur van 6 graden N en K al goed opgenomen kunnen worden, maar de P opname verloopt dan nog te langzaam. Op het moment van uitlopen heb je dus eigenlijk een P-gebrek. Later als het warmer wordt, verdwijnt deze kleur die ook wel eens “blauw van de kou” wordt genoemd. Als u denkt, dat de planten P gebrek hebben moet u bij de volgende basisbemesting wat meer P toevoegen. In de biologische bouw gebruikt men voor fosfaatbemesting veelal beendermeel.

Te weinig kali resulteert in een slechte of niet zo lekkere smaak en de houdbaarheid van de groente en het fruit valt tegen. Bovendien wordt het onderste blad geel. Bij aardappels blijft het drogestofgehalte achter en hebt u bij de winteraardappelen eerder last van blauwe plekken. Wanneer de plant te weinig kali uit de grond aan kan voeren, wordt de kali uit de onderste bladen gehaald om het naar de bovenste, nieuw uitlopende bladeren te brengen. De onderste bladeren gaan afsterven en worden geel. Dit terugtrekken treedt natuurlijk het eerst op aan de bladranden van de onderste bladeren, die dan geel worden. Hoe langer het tekort duurt, hoe groter het bladgedeelte wordt, dat geel kleurt. Omdat de onderste bladeren toch niet meer zo in het licht staan, kan de plant ze dan ook wel missen. Echte kalivreters zijn de koolsoorten en de aardappel.
Genoeg Kali geeft een stevige plant, die goed met zijn water omgaat, dus niet teveel verdampt als het een poosje droog is, in de winter een betere winterhardheid geeft en in het voorjaar bij het uitlopen bescherming geeft tegen nachtvorst. Aardappels geeft u geen kalizout, maar altijd patentkali, terwijl andere groenten ook liever patentkali hebben. Patentkali bevat ook magnesium.

Te weinig Magnesium (Mg) geeft een geel blad. Het patroon is wolkig. Magnesium zit in het centrum van het bladgroenmolecuul. Het weinige magnesium dat er nog is, wordt door de nerven aangevoerd in het blad. Vlak bij de nerven is er nog genoeg Mg en daar is het mooi groen, maar hoe verder van de nerven af, hoe geler het blad is.
Mg gebrek treedt op in het jonge blad. Eerst gaat alles goed, maar als de koek op is, komen de nieuwe bladeren niet meer op kleur. In het voorjaar heeft de plant ook een poos wat MG gebrek. Net als Fosfaat wordt het pas bij wat hogere temperaturen opgenomen. Het gebrekverschijnsel verdwijnt vanzelf als de temperatuur stijgt. Men noemt het wel “koubont”.

Basisbemesting
Een goede basisbemesting is ongeveer 6 à 8 kruiwagens compost of koeienmest per are (100 m2).

 

Reacties zijn gesloten.